Rechter corrigeert Belastingdienst: zzp’er in de zorg is geen schijnzelfstandige

Beeld: AI, redactie ZZP Nieuws © 2026

De Belastingdienst heeft jarenlang gesteld dat werken als zzp’er in de zorg in veel gevallen neerkomt op schijnzelfstandigheid. De rechter denkt daar anders over. In een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 maart 2026 oordeelde de rechter dat een zelfstandige zorgprofessional geen schijnzelfstandige is — ook al waren vrijwel alle omstandigheden aanwezig die de Belastingdienst normaal als bewijs aanvoert.

De zaak: een logopedist met één opdrachtgever

De zaak betrof een zelfstandig logopedist die in 2024 werkte voor een logopediepraktijk. De omstandigheden waren op papier precies het soort situatie dat de Belastingdienst als risicovol bestempelt. De zzp’er werkte voor slechts één opdrachtgever, voerde intramurale werkzaamheden uit binnen de organisatie, had geen eigen cliënten maar bedient de patiënten van de praktijk, gebruikte de materialen en het elektronisch patiëntendossier van de opdrachtgever, vergoedde geen kosten voor ruimte of administratieve tools, en liet zich gedurende de hele opdracht geen enkele keer vervangen.

Kortom: een profiel dat de Belastingdienst in de zorgsector standaard als schijnzelfstandigheid kwalificeert. Toch oordeelde de rechter anders.

Oordeel van de rechter: geen gezag, dus geen arbeidsovereenkomst

De rechter keek niet naar de werkomgeving, maar naar de kern van de juridische vraag: was er sprake van een gezagsverhouding? Het antwoord was nee, om drie redenen. De logopedist ontving geen inhoudelijke aansturing over hoe het werk uitgevoerd moest worden. Er werd geen verantwoording afgelegd over persoonlijk functioneren. En welke patiënten geholpen werden en wanneer was aan de professional zelf.

Op basis daarvan concludeerde de rechtbank: er is geen arbeidsovereenkomst, maar een overeenkomst van opdracht. De logopedist werkte als echte zelfstandige.

Dat de zzp’er moest werken met een dossier, moest registreren en moest voldoen aan kwaliteitseisen, zegt volgens de rechter niets over een gezagsverhouding. Die verplichtingen vloeien voort uit de Wet Kwaliteit Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz) — een nationale wettelijke verplichting die voor iedere zorgprofessional geldt, ongeacht de contractvorm.

Belastingdienst tegengesproken

De uitspraak staat in direct contrast met het standpunt dat de Belastingdienst de afgelopen jaren innam. De dienst stelde eerder dat een zorgorganisatie als eindverantwoordelijke per definitie enige mate van werkgeversgezag uitoefent. De rechter verwerpt die redenering. Er is een wezenlijk verschil tussen verantwoordelijk en eindverantwoordelijk zijn — en dat verschil is door de wetgever zelf in de Wkkgz vastgelegd. Het gebruik van protocollen en kwaliteitssystemen is geen aansturing vanuit de opdrachtgever, maar een wettelijke verplichting die de zorgprofessional zelf draagt.

Fiscaal jurist Jasper Commandeur stelde naar aanleiding van de uitspraak op LinkedIn dat de beweringen van de Belastingdienst richting beroepsorganisaties — dat waarnemen als zorgprofessional “zeer waarschijnlijk schijnzelfstandig” of zelfs “onmogelijk” zou zijn — een vergissing zijn geweest. Een vergissing met grote gevolgen: zorgorganisaties die op basis van dat signaal alle zzp-inzet afbouwden, deden dat op basis van een onjuist frame.

Maatwerk, geen sectorbrede veroordeling

Een belangrijk aspect van de uitspraak is de bevestiging van wat juridisch al langer het uitgangspunt is: schijnzelfstandigheid kan alleen worden vastgesteld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van een individueel geval. De rechter toetst holistisch — alle relevante factoren worden in onderlinge samenhang gewogen. Dat is precies wat de rechter hier deed, en wat de Belastingdienst in de praktijk naliet.

De verwachting is dat de Belastingdienst deze uitspraak zal afdoen als “slechts één casus”. Maar dat argument snijdt weinig hout zolang diezelfde dienst brede, niet onderbouwde conclusies trok over sectoren en werkstructuren als geheel.

Wat betekent dit voor zzp’ers in de zorg?

De uitspraak maakt duidelijk dat werken als zzp’er in de zorg juridisch mogelijk is — ook als de werkomgeving intramurale kenmerken heeft. Doorslaggevend is niet wáár of mét welke middelen je werkt, maar of er sprake is van gezag over de inhoud van het werk. Zorgorganisaties die uit voorzorg alle zzp-inzet hebben afgebouwd, deden dat op basis van een onterecht frame.

Concreet zijn de volgende omstandigheden geen bewijs voor een arbeidsovereenkomst: werken op locatie bij de opdrachtgever, het gebruik van het EPD of materialen van de opdrachtgever, het ontbreken van vervanging, het hebben van slechts één opdrachtgever, en het werken voor patiënten van de organisatie. Wat wél telt: wie bepaalt hoe de zorg wordt verleend? Als de zorgprofessional dat zelf bepaalt, op basis van professionele autonomie en wettelijke verplichtingen, is er geen gezag — en dus geen arbeidsovereenkomst.

Dit vonnis sluit aan bij een bredere lijn in de rechtspraak die ook zichtbaar is na het Uber-arrest, waarbij het gerechtshof oordeelde dat de chauffeurs als echte ondernemers moesten worden beschouwd. De rechter weigert consequent mee te gaan in generieke sectorbeoordelingen en toetst elke casus op zijn eigen merites.

De Zelfstandigenwet, die het kabinet momenteel uitwerkt als opvolger van het geschrapte VBAR-verduidelijkingsdeel, moet op termijn meer duidelijkheid bieden over precies dit soort situaties. Tot die tijd geldt wat de rechter vandaag bevestigt: de beoordeling is maatwerk, en de Belastingdienst heeft de afgelopen jaren die lat te breed gelegd.


Bronnen: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 maart 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:1391) · ZZP-erindezorg.nl · LHV · Rijksoverheid.nl

Het bericht Rechter corrigeert Belastingdienst: zzp’er in de zorg is geen schijnzelfstandige verscheen eerst op ZZP Nieuws | Het Laatste Nieuws & Advies voor Zelfstandige Ondernemers.

Leave a Comment